Watersnood in Overijssel deel I – Wanneperveen


Een ramp van ongekende grootte
Bij toeval kwam ik een vermelding tegen over een watersnood, die in de jaren twintig van de 19e eeuw plaats vond. Nu komen voorouders van vaders zijde van de Zandbelt, vlakbij Wanneperveen, waardoor mijn interesse was gewekt en ik wou weten of, en in hoeverre, mijn voorouders en aanverwanten hiermee te maken hebben gehad.

Bij het zoeken naar informatie kwam ik het boek van J. ter Pelkwijk tegen, dat in 2002 opnieuw is uitgegeven door Stichting IJsselacademie.


Wanneperveen begin februari 1825
Rond 3.30u in de ochtend van 5 februari 1825 werden in Wanneperveen zeer zware donderslagen gehoord en was er een erg heftige wind gedurende 12 tot 15 minuten. De bewoners van Wanneperveen, liggend in een waterrijk gebied, verlieten hun bedsteden, omdat de wind hun woningen liet beven en kraken. Men was bang begraven te worden onder de puinhopen van hun onderkomen. De noordwestelijke wind nam iets af, maar was nog steeds erg fel. Duistere wolken en een sneeuwjacht, die werd voortgezweept door de harde wind, maakte dat het zicht tot een paar stappen was beperkt.
In de morgen, tussen 10.00u en 11.00u, zagen de bewoners van het westelijke deel van het dorp, dat het water snel steeg in de grote veenplas, net ten noorden van de Veeneweg. De mannen van het buurtschap Blaauwe Hand namen aan dat het hoogste deel van Wanneperveen (net als in 1775 en 1776) niet zou onderlopen en dreven daarom hun vee naar het dorp, waar ze rond 12.30u aankwamen. Onderweg waadden ze door water, dat kniehoog stond. Eén koe werd door de stroom meegevoerd en verdronk.
Nadat het vee, voor zover mogelijk verzorgd, veilig stond, keerden de bewoners terug naar hun woningen om voor veiligheid van de huisgezinnen te zorgen en hun goederen te redden. Ondertussen was het water al zo sterk gerezen, dat ze merkten niet te voet terug te kunnen, ondanks dat ze grote stokken hadden om zich tegen de stroom staande te houden.

08-02-1825 Groninger courant

Eén man dreigde meegevoerd te worden door het water, hij kon nog net door een ander gegrepen worden. Ze hielden zich aan elkaar vast totdat ze bij hun gezinnen aan kwamen.

Op de Schutsloot en de Zandbelt, gehuchten die onder Wanneperveen liggen, begon het water rond 11.00u te wassen vanuit Zwartsluis, maar ook vanuit het noorden kwam het water. In de namiddag stond ook het hogere land onder water. Elk huisgezin bezat daar een bok, een vaartuig, waarmee hooi en turf werd vervoerd. De bewoners zaten in hun bok en zochten in de luwte van hun woningen beschutting om daar, in de open lucht, af te wachten.
Pas op zondag 6 februari, met zwaar beladen vaartuigen, waagden zij het de Zuiderwijde over te steken om de veiligheid op te zoeken. Twee Friese schippers, die met hun schepen bij deze gehuchten lagen, hebben veel mensen en vee in hun vaartuigen opgenomen.

17-02-1825 Arnhemsche courant

Helden in en rond Wanneperveen
De heren J. van der Veen en Jan Hoff trotseerden met een punter het geweld van wind en water. Ze voeren langs een woning, van waaruit zij hulpgeroep hoorden. De enige mogelijkheid om in het huis te komen, was door de ruiten in te slaan, waarna ze met het voorste deel van hun punter het huis invoeren en één man, twee vrouwen en één kind in de bedstede bij het raam vonden. Met veel moeite kregen ze alle vier in de schuit. Ze herinnerden zich dat even verderop, in een huis in een laagte gelegen, een stokoude en hulpeloze vrouw woonde. Toen ze bij de woning aankwamen riepen ze, maar hoorden niets. Ze braken een gat in het rieten dak, waarna Van der Veen op de zolder kroop en het beschot van de bedstede brak, waar de vrouw, liggend in het water, zich bevond. De vrouw was bewusteloos, wat het extra moeilijk maakte haar uit de woning te halen. Van der Veen stapte in het water en haalde haar met veel moeite naar de zolder om haar daarna in de punter te leggen.

Later in de nacht kwam Van der Veen bij een huis waar een vrouw haar twee kinderen had achtergelaten, terwijl zij hulp zocht. Naast de kinderen was er een krankzinnige vrouw in de bedstede achterin het huis. Van der Veen riep mensen, die in een andere punter zaten, om tezamen de vrouw en kinderen te redden. Er werd een gat in het dak en daarna in het beschot van de bedstede geslagen, zodat ze de drie naar het dak konden trekken.

Ook Egbert Mens en Harm Jalving probeerden mensen te helpen, in de omgeving van Bovenboer. Het huis, waar 7 personen waren, was voor het grootste gedeelte ingestort. Na drie pogingen lukte het om de mensen te redden. Het bootje was te zwaar beladen met zoveel mensen, de golven sloegen over het bootje, maar uiteindelijk lukte het om ze allemaal in veiligheid te brengen.
Harm was door de kou, het water en de inspanning zo verkleumd en afgemat geraakt dat hij geen gevoel in handen en voeten meer had en bewusteloos in bed gelegd moest worden. Door kannetjes met heet water tegen zijn lichaam te leggen, werd hij langzamerhand weer opgewarmd. Uiteindelijk is hij volledig hersteld.

Een jonge man, Jan Krijns Buisman, zag in de middag van 4 februari op de Veeneweg, ten westen van Wanneperveen, een door het water overvallen jonge man. Hij stond tot zijn armen in het water, waar hij probeerde met alle krachtinspanning zich staande te houden in de harde stroom. Jan sprong in een punter en voer naar de jonge man, nog net op tijd om hem in het bootje op te nemen en in veiligheid te brengen.
De hele volgende nacht was hij, helemaal alleen in de punter, onderweg om mensen te redden, wiens huis tot het dak onder water stond, te redden.

Door alle hulp zijn er in de gemeente Wanneperveen weinig mensen omgekomen. De schade was echter groot. 25 woningen zijn weggespoeld, daarnaast bleek een groot aantal huizen onbewoonbaar te zijn. De woningen, die er nog stonden, waren fors beschadigd.
Wanneperveen en omgeving stond bekend om het turf, het voornaamste middel van bestaan: alles was weggedreven.
Een groot aantal runderen, die op het hoogste van de Veeneweg waren gebracht, waarvan men dacht dat het veilig zou zijn, was verdronken: 300 koeien waren omgekomen.
Vele mensen hadden niets meer, alleen de kleding, die men droeg.
De rietlanden waren vernield, werk was er niet meer.


De stormvloed van 1825: een vergeten ramp zonder weerga
Precies tweehonderd jaar geleden vond in Nederland de grootste natuurramp van de negentiende eeuw plaats. Van 3 tot 5 februari 1825 zorgde een noordwesterstorm in combinatie met springtij voor grote overstromingen rond de Zuiderzee en daarbuiten van het Deense Nordfriesland tot aan Vlaanderen. In Nederland kostte de ramp 379 mensen en tienduizenden stuks vee het leven en zorgde voor veel schade in vooral Friesland en Overijssel. Wat was de aanleiding voor deze ramp en wat waren de gevolgen?


De schrijver Jan ter Pelkwijk
Op 26 augustus 1769 werd Jan in Heino geboren, zijn vader was daar predikant. Jan heeft gestudeerd in Barneveld, Zwolle en Deventer. In 1790 volgde een promovering aan de Universiteit in Harderwijk, waarna hij zich meester in de vrije kunsten en doctor in de rechten en filosofie mocht noemen.

Later werd hij bekend als baanbreker op het gebied van lager onderwijs. Hij schreef verschillende werken als verspreiding van kennis, daarnaast gaf hij een cursus voor onderwijzers en kwekelingen over o.a. meetkunde. Hij gaf college over natuur- en aardrijkskunde en geschiedenis. Hij had veel over voor kleine kinderen, hij was een kindervriend.

In de eerste dertig jaren van de 19e eeuw woonde hij op de bovenkamers van het huis tegenover de Vischmarktsteeg in Zwolle. Hij had verschillende betrekkingen bij het bestuur van de provincie Overijssel. Van 1814 tot eind 1834 was hij lid van het College van Gedeputeerde Staten. 1

Jan ter Pelkwijk

Familie
Jan en zijn vrouw Maria de Bruin kregen de volgende kinderen (in Winterswijk, tenzij anders vermeld):
1 Judith, geb. 4 januari 1799, overl. 21 maart 1888
2 Herman, geb. 15 november 1800, overl. 5 november 1866 in Zutphen
3 Gerhard Abraham, geb. 25 maart 1808
4 Albertus Theodorus, geb. 13 mei 1811, overl. 13 oktober 1863
5 Harmina Margaretha, geb. 8 november 1812, overl. 14 november
1897 in Neede
6 Johanna Catharina, geb. 4 maart 1814, overl. 6 april 1892 in
Doetinchem
7 Johannes Cornelius, geb. 23 januari 1816, overl. 6 mei 1890 in
Mallem
8 Anna, geb. 29 augustus 1819 en overl. 27 maart 1826

Jan ter Pelkwijk overlijdt op 5 maart 1837 te Hasselt, aan “een verval van ligchaamskrachten, in den ouderdom van bijna 68 jaren”. In de advertentie van 9 maart 1837 in de Opregte Haarlemsche Courant, ondertekend door G.A. ter Pelkwijk, staat verder vermeld: “Hoe treffend dit verlies voor ons is, kan een ieder die den braven Overledenen gekend heeft, ligtelijk beseffen; doch de hoop van hem eenmaal in de gewesten der zaligheid te zullen wederzien, strekt tot leniging onzer smarten.” 2


  1. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 8 augustus 1887 ↩︎
  2. Opregte Haarlemsche Courant 9 maart 1837 ↩︎

Bronnen:
– Overijssels Watersnood, een heruitgave van het verslag van de
ramp van 1825, geschreven door J. ter Pelkwijk. Heruitgegeven
door de Stichting IJsselacademie te Kampen in 2002
ISBN 90-6697-135-5
Stichting IJsselacademie is in 1977 opgericht en in 2022
overgegaan in Stichting Overijsselacademie.
http://www.wikipedia.nl
-Streekarchivariaat_Noordwest-Veluwe
https://www.knmi.nl/over-het-knmi/nieuws/stormvloed-1825


Dank aan Linde Otten, Overijssel Academie, die toestemming gaf voor het gebruik van informatie uit het boek.